Communieverdriet

Net voor de herfst zijn deken van mistigheid helemaal uitspreidde over de dagen vierden we feest. Feest voor grote broer en voor het kleinste sprotje. Een uitgesteld vormsel en een uitgestelde 1e communie. Waar de 1e communie een feest van blijschap en betrokkenheid was, was in de vormselviering weinig van dit alles terug te vinden.

Schone feesten, daar niet van, want dat kunnen wij nu eenmaal heel goed. Het leven omarmen. De viering in de kerk van de oudste leidde enkel tot heel veel frustratie.

Er ging eerst en vooral een ellenlange, nietszeggende voorbereiding en een bombardement aan mailtjes vooraf aan de grote dag. Het kind moest goed weten waarom gevormd wilde worden. Wij als ouders werden herhaaldelijk op onze plichten gewezen. Via mail, eindeloos vaak. Een mail om te melden dat er brief gestuurd werd, een mail om te zeggen dat we de mail die we net hadden gekregen in geen geval mochten doorsturen, een mail om te zeggen dat we moesten betalen …

Het kind en ik raakten vrij snel het noorden kwijt, maar staken de 1e tekenwerken (in orde gebracht door kleine zus) nog gedwee in de daartoe bestemde brievenbus. We printten en postten documenten die we met 1 muisklik digitaal hadden kunnen versturen en hoopten op een wonder (in de zin van een zinvolle voorbereiding en een mooie viering, hopelijk ooit op een dag. ). Ondertussen werden we om de oren geslagen met mailtjes om aan te kondigen dat we post zouden krijgen en om te zeggen dat het ‘door corona’ anders was dan anders.

Na mail 937 raakte ik het beu. Ik liet mijn ongenoegen blijken in een beleefde mail en hoopte op een 2e wonder, een antwoord. Dit kwam niet. De viering kwam er wel en was klam en richtingloos. Ik kan met de beste wil van de wereld niet zeggen waar het over ging. Grote broer evenmin.

Het kleinste sprotje daarentegen vierde feest met haar klasgenootjes en met de kinderen van een jaar hoger (corona, you know, noopte Stalhille ertoe om op dit vlak 2 groepjes samen te nemen, gelukkig waren er hier geen 1000 mails nodig om ons in te lichten). Ze waren bloemetjes, elk kind van de 17 kinderen die deelnamen aan dit feestje. We leerden over dankbaarheid en over blij en gelukkig zijn met kleine dingen. We vierden samen in de kerk met onze kinderen en met de mama’s en papa’s, broers en zussen van de dorpsgenootjes. We waren samen, meer dan een uur lang, echt samen, om te zingen en te zijn en gingen daarna verder naar ons eigen feest.

Bij grote broer was er enkel dat eigen feest.

Dit feest was mooi en verbindend. We vierden het met die heerlijke grote familie van ons en daarna nog eens met onze village.

Toch blijf ik het jammer vinden dat we er niet in slagen om vormselvieringen vandaag zinvol en mooi in te vullen. Ook de vormselviering van het nichtje, ook dit jaar, in een andere gemeente baadde in hetzelfde sfeertje als die van grote broer. Een groepje prachtige, gretige kinderen, dat staat te trappelen om die grotemensenwereld in te stappen, maar die op ‘hun dag’ in een kerk geduwd worden om daar te zitten en te ondergaan. Terwijl ze wellicht graag zelf iets hadden willen zeggen of bijdragen. (Pijnlijk detail hier dat het nichtje niet mocht samen vieren met haar andere neefje dat in dezelfde gemeente woont. Daar waren de vormelingen in 2 groepen opgesplitst en was er geen uitzondering mogelijk voor meters en peters die eerst een viering moesten uitzitten met hun eigen kind en daarna nog eens konden herbeginnen voor hun metekind. ‘Wij doen hier immers niet aan vriendjespolitiek’, was het antwoord.)

Het is niet niets, die stap naar het middelbaar.

Hoe jammer is het dat het ritueel om dat als gemeenschap te vieren zo achteruitgeschoven raakt en verzandt in: Ik organiseer dat hier en het is gewoon zoals het is. Dus geef alstublieft geen suggesties en zeg niets als iets niet strookt met je verwachtingen. Binnenkort kan de kerk voor dit ritueel zijn deur sluiten en trekken wij onszelf terug in onze village om zelf iets zinvols in elkaar te boksen, maar ook dan zal het gemis blijven.

We zijn meer dan onze familie- en vriendenkring en we kunnen niet alles zelf in handen nemen, toch? Hoe kunnen we onze kinderen dan leren om echt deel uit te maken van een gemeenschap?

(fotocredits: pics_andstories)

Het Zwarte Woud met energieke kinders

Eerlijk. Er stond in eerste instantie een 2e keer Montenegro op het programma voor deze zomer. Ik verloor er mijn hart en wil het land dolgraag verder ontdekken. En – most of all – ik wil zotgraag eindelijk eens wat tijd doorbrengen op de fantastische glampingplek van mijn vroegere buurjongen Matthieu en zijn partner Daria. (Volgende zomer komen we eraan. Beloofd.)

Schrik voor quarataine en geen garantie dat manlief en ik en onze 12-jarige grote broer tijdig gevaccineerd zouden raden hielden ons uiteindelijk binnen Europa. (Wij zijn geen laste minuters wat reizen betreft en leggen graag enkele maanden op voorhand al de locatie en logies vast.)

In Schwarzwald, begot. En het was ook de moeite en meer dan dat. Ik keerde dan ook met een hart vol glinstering terug.

Waarom?

Omdat onze kinders fantastisch reisgezelschap zijn. Met een prille (nog maar maar een heel klein beetje) puber die klapwiekend al een beetje zijn vleugels begint uit te slaan en 4 energieke, bruisende langereschoolkornuitjes zit de achterbank vol met gretige, gulzige oogjes en harten. Uiteraard wordt er met evenveel gretigheid ruziegemaakt over wie waar zit en wie welke hoeveelheid plaats inneemt of wie mag beslissen welk nummer van de Spotify-kinderlijst gedraaid wordt.

Gelukkig is de reistijd (met net geen 7 uur) behapbaar en konden we dit jaar een schermcompromis regelen. (1 uur schermtijd per kind, vooraf gedownload op de gsm via netflix, slaan naar broer en zus of boven een bepaald aantal decibels gaan leidt onherroepelijk tot vermindering af afschaffing van kijktijd).

In het Zwarte Woud kun je heel wat vrij eenvoudige dingen doen waar wij blij van worden: Er is bos in overvloed, er is (zwem- en speel)water, er zijn betaalbare eetgelegenheden waar kinderen welkom zijn en je kunt er een dieren- of ander activiteitenpark bezoeken zonder dat je blauw betaalt aan inkom alleen al.

Waar moet je zijn?

Wij logeerden in Triberg. Een slaperig – vrij toeristisch stadje – met traditionele restaurants en winkels en flink wat serveuses in dirndljurk. En met heel veel koekoeksklokken.

Ons logement zag er online iets ruimer uit dan in het echt, maar was netjes verzorgd. Dat je onze kinders letterlijk overal te slapen kunt leggen, maakte ook het feit dat de jeugdslaapkamer onder de eet- en livingruimte was en dat er geen deur of luik was om af te sluiten niet onoverkomelijk.

Bovenop een berg zitten was voor grote broer het summun. Hij fietste elke morgen vrolijk de berg op en af om brood (met manlief uiteraard) en zei daarna alleen maar ‘meer’ en ‘nog’ en ‘zijn we nu nog niet weg’. Ik hield me stevig vast aan mijn stoel bij elk autoritje en hoopte dat we niet in de afgrond zouden rijden (maar ook dat is de kroost ondertussen gewend). ‘Mama is altijd veel te bang in de auto als er bergen en dalen zijn.’ Ik beet mijn tanden bijna stuk op onze bergetappes op de fiets en prees mezelf gelukkig met elk grammetje basisconditie in mijn lijf en kijk vol verwondering naar het kroostje dat zich omhoog en omlaag werkte alsof ze nooit iets anders hadden gedaan.

Wij gingen wandelen en fietsen (enkel doenbaar met zeer energieke kinders) en maakten gesmaakte uitstapjes naar onder andere het Bokrijk-achtige openluchtmuseum Vogtsbauernhof in Gutach. De kinderen deden er de was op de ouderwetse manier, gleden van rotsglijbaantjes, aaiden varkens en koeien en koloniseerden de waterspeeltuin. Ook het tochtje naar de waterval van Triberg was leuk.

Er stonden 2 fijne middagjes aan het meer op het programma. Klosterweiher is vooral door plaatselijke gezinnen en groepjes jongeren bevolkt, terwijl de Titisee in Titisee-Neustadt een stuk toeristischer is. Met 5 waterratten die allemaal behoorlijke zwemmers zijn, waren dit voor manlief en ik rustpuntjes in de vakantie. Uiteraard gingen we rodelen en was de wandelapp Komoot ook nu de goede vriend van manlief en grote broer.

Ik had stiekem gehoopt op een middagje ronddwalen in de universtiteitsstad Freiburg, maar borg dat idee netjes terug op omdat ik maar 1 van mijn 5 kinders kon overtuigen van het nut daarvan.

Een half leven geleden studeerde ik Duitse taal- en letterkunde in Gent. Voor mij ‘macht es also immer sehr viel Spaß’ om even in Duitsland te vertoeven en met moedertaalsprekers te converseren.

Het was goed, het was schoon om samen te zijn in de zon. Om te zien dat de kinderen fit en levendig zijn en fietsen, wandelen en spelen dat het een lieve lust is. En dat ze groeien als kool (en met hun vleugels slaan).

Op kousenvoeten

Na een bewogen schooljaar deed het deugd om met een rustige agenda de zomer in te gaan. Geen dichtgeplamuurde weken, maar tijd en ruimte om de dagen zo vaak als mogelijk gewoon op me af te laten komen. Het ideale recept voor een blij zomergevoel, zo bleek.

Omdat manlief pas in augustus verlof opneemt, sta ik als onderwijsmadam overdag alleen aan het roer in juli. Straks gaan we op gezinsvakantie naar Het Zwarte Woud en dan begint de voorbereiding voor het nieuwe schooljaar en is het gedaan met fulltime zomeren en energie tanken voor het schooljaar dat eraan komt.

Het kroostje ging begin juli voor het eerst voltallig op scoutskamp. Ik blijf me erover verwonderen hoe het in godsnaam mogelijk is dat ze dat met z’n vijven eensgezind zo fantastisch vinden. Waar ik als 9-jarige nog sloten vol huilde omdat ik verging van de heimwee op cm-kamp, geeft nu zelfs het kleinste sprotje op haar zevende geen krimp bij het afscheid. (Al gooit ze zich bij thuiskomt wel in mijn armen van contentement.)

Apetrots ben ik op mijn gasten en op mezelf vanwege mijn – blijkbaar vrij geslaagde – voornemen om mijn kinders te leren genieten van verwachte en onverwachte logeerpartijen.

Wat een weelde om logés over de vloer te krijgen die je al kent sinds ze baby zijn en die nu stilletjes aan prille tieners worden. De bak in de brouwerij is momenteel de populairste slaapplek. Als ik ze daarheen zie vertrekken in pyjama al kletsend en taterend en zo helemaal in het nu of als grote broer met de boormachine in de weer is om zijn luik (tegen het licht) te perfectioneren , dan wou ik soms dat ik de tijd kon bevriezen.

Wat een zaligheid om eindelijk de gelegenheid te vinden voor die middagen in de tuin met goede vriendinnen, voor dat veel te lang uitgestelde etentje, die spontaan georganiseerde barbecues in Stalhilse tuinen, die fietstocht naar zee met een sliert kinders voor je uit, die ochtendlijke loopsessies, dat boek van 1200 pagina’s , die fijne familietijd …

Wat fijn om opnieuw kampeerders in de tuin te ontvangen via Welcome to My Garden.

‘De schoonste momenten komen op kousenvoeten’, zei ik onlangs tegen een dierbare vriendin.

Ik wens ze je toe, die ‘kousenvoetmomenten’. Als buffer voor als het straks weer gaat donderen en sneeuwen en om ervoor te zorgen dat je schoonheid blijft zien.

Over vasthouden wat voorbij gaat

Binnen 2 weken eenwielert grote broer voor de laatste keer de poort van zijn lagere school binnen. Zo komt er geruisloos een einde aan een tijdperk en zet ik straks mijn halfwassen zoon op zijn fiets richting Brugge voor (hopelijk) 6 jaar groei en bloei in zijn middelbare school.

Het doet me wat, al voelt het tegelijkertijd aan als een oh zo logische en welgekomen verdere stap.

Het is zo fijn dat de kinderen groter worden en stilletjesaan raadgevers en volwaardige gesprekspartners worden. Hoe ze omschrijven wat jij op dat exacte moment denkt, daar kan ik zo zot gelukkig van worden. Zo hadden de koters die schoollopen in Stalhille onlangs hun inlogkaartjes bij voor de plaatjes van de schoolfotograaf. Kleine broer zit in het buitengewoon onderweg en staat al 2 jaar niet op die foto. ‘Jammer he, dat we er maar met 4 opstaan’, zei de oudste. (Merci jongen, om dat te zeggen. I feel it too. )

De dagen zijn gevud met werken en naar school gaan, met wassen, plassen en lezen. Met proeven van herwonnen vrijheid. De dozen roomijs, de appels, de aardbeien en de droge worsten verdwijnen in een steeds hoger tempo in die 5 gulzige kindermonden. Begin juli vertrekt – voor het eerst – de volledige kinderschare op scoutskamp. En ik, ik sta paf, om de snelheid waarmee de jaren voorbijgaan. Om de schoonheid van de glimpen van wie de kinderen als volwassenen zullen zijn die ik steeds vaker te zien krijg.

Ondertussen wordt er ruzie gemaakt om via de hond mag vasthouden tijdens ritjes naar wandelbestemmingen, tiert kleine zus heel luid omdat er 2 druppels water uit het waterpistool van grote broer op haar kleren belanden en gaat laatstgenoemde een rondje mokken omdat kleine zus ‘doet alsof ze braaf is en ik er altijd inloop.’ Iedereen wil helpen als er cakebeslag gemaakt wordt om zich vervolgens uit de voeten te maken als het om opruimen gaat.

Ondertussen voelen die stralende gezichten van neefjes, nichtjes, vriendjes en buurmeisjes zo vertrouwd aan als een 2e huid. Hier wordt gespeeld, gelachen en geleefd. Door al die levenslust raakt mening scherp randje aan het leven heel vaak al een beetje afgerond vooraleer het gif van het moment heeft toegeslaan.

Ik wens het iedereen toe. Het vermogen om de momenten in te pakken en mee te nemen en om je eraan te verwarmen als de kilte toeslaat.

Hallo 40

Over één ding waren we het roerend eens, de liefste studievriendin en ik, toen we begin oktober fanfare-van-honger-en-dorstgewijs door Gent wandelden: We waren heel brave meisjes geweest in onze studentenjaren.

En nee, daar hadden we geen spijt van. De herinneringen aan onze jaren in de arteveldestad als studenten taal- en letterkunde (Nederlands – Duits) waren ons ongelooflijk dierbaar. De vriendschappen die we daar hadden gesloten waren al meer dan 20 jaar ankerpunten in ons leven. En ja, als we ’t opnieuw konden doen, zouden we misschien minder braaf zijn en wat verder op ontdekking gaan. (Uiteraard was ik de braafste van de twee.)

Vandaag zijn we allebei 40. (Ik vandaag en zij morgen voor de volledigheid.)

Toch zeg ik ‘hallo’ tegen die 40

Ik ben geen model of nobelprijswinnaar in spe. Mijn leven is niet perfect, er zijn momenten waarop ik geen rust vind, mijn werk niet naar behoren kan doen en mezelf een flutpartner, -moeder, -dochter, -vriendin, … whatever vind. Ik verlies mijn geduld voor kleinigheden en ik zeg al eens ‘ja’ als ik eigenlijk ‘nee’ zou moeten zeggen. Ik ben soms ontgoocheld in mensen en in systemen en zoek al meer dan 20 jaar naar de guts om dat op het juiste moment tegen de juiste persoon te leren zeggen.

Toch zeg ik ‘hallo’ omdat ik op mijn 40e al bijna een half leven samen ben de man die van mij de beste versie van mezelf maakt. Die bij groot en klein onheil de rust zelve blijft en zijn gezond verstand altijd bij de hand heeft. De vervulling van onze kinderwens verliep niet van een leien dakje. De jaren van wachten op de komst van grote broer en zijn broer en zussen maakten mij redelozer en radelozer dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.

Hij droeg mij verder zonder grote woorden.

Niet de jaren waarin ik moederde over 5 kinderen van wie zelfs de oudste nog een kleuter was waren de zwaarste. Het waren de jaren ervoor toen niemand me kon verzekeren dat het gezin waarvan we droomden er ooit zou komen.

Toch zeg ik ‘hallo’ omdat ik mijn bestemming vond als leerkracht talen. En ja, de jaren waarin ik geen vaste school had en op 30 juni niet wist of en waar ik in september aan de slag zou kunnen heb ik me daar elke dag zorgen over gemaakt. Telkens een hele zomer lang.

Ik zeg ‘hallo’ tegen het dorp met het kloppende hart dat ik al 17 jaar mijn thuis mag noemen en waar enkele van mijn dierbaarste vriendinnen wonen.

Ik zeg ‘hallo’ tegen dat lijf van mij waar ik nu meer van houd dan als jonge twintiger. Het droeg me door de jaren.

Ik zeg ‘hallo’ tegen morgen. Hier ben ik.

Project paaspauze

No way dat ik de kroost 3 weken laat zetelhangen.

Ook om de schaamte van mij af te spoelen omdat ik als leerkracht een week lang betaald word terwijl ik niet kan werken. De momenten met het handjevol leerlingen dat wel wil ingaan op mijn uitnodiging om moeilijkere stukjes leerstof nog eens te hernemen of om het samen over die of die tekst te hebben niet te na gesproken. En de klassenraad en het online oudercontact.

Ik werk natuurlijk wel. Wat had je gedacht?

Ik werk lessen uit voor na de vakantie. Schaaf mijn digitale skills bij om het boeiender en relevanter te maken na pasen. Buig me alvast over een werkbaar rooster voor volgend schooljaar en doe wat ik altijd doe: Ik lees, lees, lees …

Ik daag mijn kinders ook uit om zelf op zoek te gaan naar zinvolle bezigheden. Binnen grenzen weliswaar. Maar een kind heeft recht op tijd om zelf uit te zoeken wat hij of zij kan doen buiten schermgapen. En this is the moment hé, lieve mensen, als je er nu geen ruimte voor vindt, dan nooit hé.

De tijd die je kind anders zoek maakt met alles buiten die ene hobby ligt nu voor je klaar, blinkend als ongerepte sneeuw. Het enige wat je er zelf nog extra voor nodig hebt, is vertrouwen in het inschattingsvermogen van je kind. En het inzicht dat spelen ook werken is. Meer nog, dat spelen hét werk is van al die paaspauzekinders (lees: lockdown 2- of- was- het -al-3-kinders). Ik ben een verwend nest, ik weet het. Ik heb buitenruimte. Ik kan zeggen, naar buiten met je vuile voeten en je modderbroek. Toch laat ik het kroostje ook alleen de straat opgaan voor een rondje fietsen of skeeleren of een ommetje met de hond.

Uiteraard ga ik ook zelf creatief aan de slag met mijn kinders. Ziehier het menu: Een 11-jarige die houdt van wiskunde, een 9-jarige allrounder, een 8-jarige die niets liever doet dan tekenen en prullen, nog een 8-jarige die zo nieuwsgierig is naar de wereld rondom hem (vooral al het om dieren gaat), maar door een aantal ‘dysjes’ flink wat moeite ervaart met lezen en schrijven en een 6-jarig flurkje dat nog altijd niet kan geloven dat ze nu zelf kan lezen.

’s Morgens is er schermtijd op vakantieregime en daarna gaan we samen werken. Dat hebben we afgesproken. Ze gingen alle vijf volmondig akkoord.

We willen leuke hoopvolle boodschappen op de stoep krijten, een aantal buitenruimtes schoonmaken, een boekje met scheikundeproefjes aanleggen en nieuwe recepten uitproberen.

We laten de dagen komen in al hun glorie en dromen ondertussen zoete vaccinatiedromen. We proberen mild te zijn voor elkaar en ons bewust te zijn van onze plek binnen het collectief van de maatschappij. En uiteraard zal ik mij ondertussen ergeren aan de rommel die mijn koters maken en aan het feit dat ze altijd willen eten.

Maar toch …

Wachten doe je nooit alleen,hé? En terwijl je wacht kun je maar beter iets trachten te betekenen voor die samenleving waar je deel van uitmaakt. Ook al is het op microniveau.

En ja, het steekt hier ook soms tegen. Toch lukt het nog steeds om schoonheid te zien en te creëren binnen de grenzen van wat wel nog mag. Van vandaag, lieve mensen, komt nooit meer terug. En voor je ’t weet zijn ze de deur uit en mis je de tijd dat mama nog op zoveel vragen en verzuchtingen een antwoord had.

Hoe proper wil je ze ?

‘Hoe proper wil ik ze?’ Da’s een vraag die ik me geregeld stel als ik er weer eentje richting slaapkamer zie denderen met smoezelige voeten of woest verfrommeld haar. Tanden poetsen en vers ondergoed aantrekken, daarover wordt niet onderhandeld, maar over al de rest wil ik het wel hebben.

Ons kroostje houdt van buiten spelen. Geef ze een schop en ze graven een put. Geef ze een emmer en ze gieten hem uit. Jazeker, de wasmachine werkt hier hard, maar toch zijn hier best ook wat wasvrije dagen. Ik probeer er een ingesleten gewoonte van te maken om geen wasslaaf te worden die na elk rondje buitenspelen een wasmachine draait. Een zwembroek waar een keer mee gezwommen is of een loopshort met enkele modderspatjes erop kan je net zo even kan laten drogen om hem daarna nog eens aan te trekken. Tussen maandag en donderdag draait de wasmachine hier niet. Point final.

En als het hier straks al te hard naar puberzweet gaat stinken, dan pas ik mijn wasregime uiteraard aan. Voorlopig moeten de kinderen maar 1 keer per week verplicht onder de douche. Meer mag, maar het aantal keer dat een van de kinderen hier spontaan voorstelt om te gaan douchen kan ik op 1 hand tellen. Het liefst lossen ze het op met een voetenbadje in de wasbak en een washandje.

Een naaitalent is aan mij niet verloren gegaan, maar ik strijk wel ijverig lapjes op scheuren en haperingen in de kleren van het troepje. Om erger te voorkomen. Wat niet meer te redden valt, gaat richting voddenmand en begint aan een 3e, 4e of 5e leven als knutsellapje.

Het onderscheid tussen zondags en doordeweeks is hier dan ook niet zo strikt. We doen het gewoon elke dag zo fancy mogelijk. Als ze echt aan het ‘modderen’ slaan, hebben de kinderen trouwens zelf al de reflex om te smetteloze(re) shirts of broeken in ere te houden en in te ruilen voor een setje kleren dat onderweg al wat meer averij heeft opgelopen. Tweedehands kledij, heel graag. Kledij die absoluut ons ding niet, toch liever niet. En veel meer dan nodig is al helemaal niet.

Zo houden we het hier zo netjes en overzichtelijk mogelijk. Al is dat natuurlijk een begrip waar je heel veel kanten mee uit kan. Maar het is wel ons boek, ons Dammanboek en daar schrijven we met veel geestdrift aan verder.

De shitty days duren lang

Een schooldag duurt niet lang, lieve mensen. Het is dus doorwerken geblazen tijdens die thuiswerkdagen. Want voor je ’t weet, hoor je de poort kriepen en weet je, yep, daar zijn ze weer. Vol verhalen, vol energie, barstend van de honger, hungry for more.

En dat jij ’s morgens nog je neus in de confituurpot hebt gestoken omdat je je toch wel zeker wilde zijn dat je nog goed kon ruiken, daar hebben ze hoogstens vaag iets van meegekregen. En dat je ondanks het feit dat je 1.000 liever op school lesgeeft waar je je leerlingen echt kan zien en inschatten, stiekem blij bent dat je vorige week ’s morgens wat langer kon slapen omdat je woon-werkverkeer ingekort is tot de ruimte tussen de keuken en het bureau, dat hebben ze ook niet opgepikt.

Ondertussen morsen en kliederen ze lustig verder, eentje tiert, eentje oefent een vette lach, een ander zoekt een gom, een potlood, een geodriehoek, whatever, zolang het maar iets is wat niet op de plek ligt waar het zou moeten liggen. De hond blaft, de tafel verandert in een samengooisel van dozen, lege verpakkingen, stukjes wol, kapotte stickers, knikkers, duploblokkken, bestekmapjes en schoolagenda’s overgoten met een sausje van quinoabolletjes en papiersnippers .

Plots ben je er niet meer zo zeker of je dag echt wel zo productief is geweest en weet je dat er voor kinderbedtijd nog veel #repeat of je zal afkomen.

Er is hulp nodig bij de Franse werkwoorden, er is geen enkel leuk bibboek te vinden in het hele huis waardoor er bij gebrek aan beter gezeurd moet worden om schermtijd, gevochten moet worden, gerommeld moet worden, gehangen moet worden aan tafel of in de zetel, geverfd moet worden (we doen het netjes, beloofd) , vuil gemaakt moet worden. Uiteraard laat iedereen ook de deur achter zich open waardoor de winterkou zich naast de verveling nestelt aan de keukentafel …

Dan heb je zin om te zeggen ‘Vanavond gaan papa en ik op restaurant en krijg jullie een bakje avondeten dat we hupakee gewoon in de microgolf pleuren. Je legt jezelf om 20 u 30 in bed. Oké?

En dan hoop je op een zondag met een waaier aan antwoordmogelijkheden:

‘Weet je wat. Ik ga een uur in de kerk zitten en daarna drink ik koffie met oma en opa en wie mee wil, die krijgt een zakje chips. De rest blijft bij papa.’

‘Of we gaan zwemmen en daarna gaan we een hapje eten en ik kook helemaal niet en ik ruim ook niet af en ik vul ook geen vaatwasser. ‘

‘Of nichtje x of neefje y is bijna jarig. Jey, er is een feestje. Je kunt praten met mensen, kinderen kunnen spelen met kinderen, je kunt over een afgestofte versie van je leven vertellen en je kunt praten over hoe jij dat doet, dat leven leiden, die job uitoefenen, dat moederen over die kinderkjens’.

‘We gaan op uitstap met mama’s goede vriendin en haar gezin.’

‘Joepie, er is een potluckfeestje, een babyborrel, een loopwedstrijd …

Damn.

‘Nee zoetjes’. ‘Het kan niet, het mag niet, maar we kunnen wel gaan wandelen’.

‘Sorry, mijn inspiratie is op.’

Ze lezen

Met 9 bibliotheekkaarten in 2 bibliotheken komt hier flink wat leesvoer in huis. Voor maart 2020 reageerde het kroostje matig enthousiast op al mijn heen-en-weer-gesleep met boeken. Voorlezen, daar zijn ze alle vijf dol op, altijd al geweest. Maar zelf lezen, ho maar, zo maar, dat zat er niet meteen in.

Een jaar later is dit wel even anders. (Corona? Een langetermijninvestering die nu pas rendeert? … Who knows?).

Mijn moederhart gaat alvast wat sneller slaan van al die zichtbare leespret onder mijn dak. Het geschart om boeken van onder de zetel te halen en mijn eindeloze rondes langs nachtkastjes en vensterbanken op zoek naar gerief dat dringend terug moet naar de bib neem ik er met graagte bij.

Stap voor stap richting ‘het lezende kind’

De bib

De bib, de bib, altijd weer de bib.

Toen de kroost kleiner was en er nog geen denken aan was dat ik die allemaal in 1 keer met de fiets van punt a naar punt b kon vervoeren, laadde ik mijn hele troepje geregeld in de auto, duwde ik de bolderkar in de koffer en tufte ik richting bibliotheek.

Een ongestoord bezoekje daar zat er zelden in. Pampers verversen, peuters van de trap plukken, voorkomen dat er heelder bakken leesvoer op de grond werden gegooid. Je kunt je daar ongetwijfeld iets bij voorstellen.

Een devies bij alles wat je meebrengt voor je kijkhongerige peuters: Veel kleur en stevig genoeg om bestand te zijn tegen peuterhandjes en -tandjes. En liefst ook min of meer afwasbaar.

Maak boeken zichtbaar

Ik ben een lezer, altijd al geweest. En als het op lezen aankomt, gedraag ik me best oldskool. Een papieren boek, als het even kan. Altijd een potlood in de buurt om kruisjes te zetten bij leuke zinnen (of een stylo als ik geen potlood vind, of een fluostift) en sorry, de veiligste manier om te weten waar je gebleven bent in je boek is voor mij een ouderwets ezelsoor.

Installeer een boekenbakje of -kastje waar naar hartenlust in gerommeld mag worden. Op kinderhoogte uiteraard en stop ook je eigen boekenschatten niet weg. De schade aan grotemensenboeken viel hier ook tijdens de tropenjaren heel goed mee.

Probeer het eens. Het werkt echt.

Respecteer de leesvoorkeuren van je kind

Grote broer houdt het voorlopig halsstarrig bij strips en blijft bij hoog en bij laag beweren dat hij enkel leest omdat hij zich vanwege corona veel meer verveelt dan anders. Voor hem breng ik dus strips mee van de bib, ik smokkel er al eens een graphic novel tussen, maar that’s it.

Kleine zus houdt van prentenboeken en zal jamais de sa vie aan een boek zonder illustraties beginnen. Ze leest en is daarna uren zoet met illustraties overtekenen. Win win, als je ’t mij vraagt.

Voor de grote zus moet het over wetenschap gaan en voor kleine broer over dieren. Voor hem liefst met heel veel foto’s.

Het kleinste sprotje begon pas enkele maanden geleden aan het deel van haar leven als lezende mens en legt nu al meer gretigheid aan de dag dan haar 2 broers en zussen samen op haar leeftijd.

Dat belooft voor de toekomst.

Ga niet in het wilde weg boeken kopen

Voor mezelf koop ik niet zo vaak boeken. Meestal koop ik ze pas nadat ik ze eerst ‘ns ontleend heb uit de bib en fantastisch goed vind.

Ook voor de kinderen hanteer ik dit principe. Knutselboeken die intensief gebezigd worden tijdens de uitleenperiode koop ik met plezier aan. Hetzelfde met invulboeken die bij boekenseries horen waar de meisjes dol op zijn. (‘De dagboeken van Muts’ om maar iets te zeggen. ). Leesboeken gaan terug naar de bib. Op naar hun volgende lezertje.

Leg lijstjes aan

Een veelbelovende jeugdtitel gespot in de krant of op sociale media? Opschrijven (intypen). Voor mezelf ben ik helemaal weg van de lezerscommunity Goodreads, voor de kinderen hou ik gewoon notities bij op de smartphone.

En nu van die smartphone af en richting boekenkast. Pas maar op, want lezen is ook besmettelijk.

De straatspeelkinderen

Op mijn dagelijkse woon-werk-fietstocht kom ik ze tegen.

De wandelaars. Talrijker dan ooit tevoren. Op elk uur van de dag. Solostappers, duostappers, jong en oud. Volledig geëquipeerd of duidelijk voor het eerst sinds lang op tocht. Een enkele keer zie ik 2 tienervriendinnen op skeelers of een mama op papa met een klein kindje achterop op de fiets.

Ik hoop dat ik ze blijf zien straks. Als hét vaccin ons leven opnieuw een andere draai geeft.

Ik hoop dat de mensen de weg weer overnemen en dat het rijk van koning auto een beetje minder almachtig wordt.

En bij ons op straat zie ik kinderen spelen. De straatspeelkinderen. Die van mij en die van buurtbewoners. Ze duiken op en ik zie ze graag bezig.

Ik hoop dat ze daar blijven spelen.

Met de go-cart, te voet, op de step … Ze spelen en dwalen en denken niet aan binnen zitten en schermpjes gapen. Ze willen samen zijn, ze willen ontdekken en uitproberen. Ze weten dat hun wereld vanwege corona nog even wat kleiner blijft, maar god, wat een vindingrijkheid om toch op avontuur te gaan. En wat een contentement. Plots is er een bos in het dorp sinds ze weten dat de gemeente en stukje verloren grond wil inrichten als extra speelgelegenheid. Geen idee hoeveel bomen er staan. Niet eens zo heel erg veel waarschijnlijk. Maar in hun ogen is het een bos en daar wordt op woensdag tussen 13 u 30 en 16 u 30 aan een kamp gewerkt.

Laat ze lopen

Laat ze lopen, zou ik zeggen. Zorg dat je als ouder min of meer weet waar ze zitten. Maak afspraken over samenblijven, over fluohesjes en fietslampjes en over binnen in eigen kot voor het helemaal donker is.

Laat ze lopen, zou ik zeggen. Geef ze als dorpsbewoner je glimlach en laat het ook niet na om hen tegen hun oren te geven als hun ouders hen niet op tijd hebben binnengehaald en als er al eens 1 geen hesje draagt, maar vergeet niet te glimlachen.

En ga zelf ook af en toe eens buiten, al dan niet in het gezelschap van een wandelmaatje of een hond.

Laat het werk, het huishouden en de verzuchtingen over wat niet kan en mag uit je hoofd waaien.

Liever toch binnen bij de kachel?

Waarom dan niet met een extra boek?

Eentje over verbinding bijvoorbeeld.

Zoals Het boek waarvan je wilde dat je ouders het hadden gelezen van Phillipa Perry. Mijn band met grote broer, die houdt van duidelijkheid en vaste afspraken, is er veel harmonieuzer op geworden sinds ik beter begrijp dat hij soms kwaad of overstuur is vanwege kleinigheden en dat ik gewoon moet laten zien dat ik dat snap en dat dat kan en mag. Gewoon eens zeggen. ‘Ik zie dat je je verveelt, da’s niet leuk, hé’, werkt stukken beter dan ‘Waarom verveel jij je toch altijd’. Het lijkt iets kleins en onbenulligs, maar het werkt, zeker in tijden waarin er geen workshops of sportwedstrijden zijn waar het kind zijn kruit kwijt kan.

Of het fantastische Meisje, vrouw, anders , de meest recente Booker Prize van de onnavolgbare Bernardine Evaristo. Over anders zijn, maar elkaar toch op de een of andere manier telkens weer vinden en versterken. Uiteraard niet zonder de nodige kneuzingen op te lopen onderweg. (Ik doe dit boek onrecht aan door in 2 zinnen te willen vertellen waarover het gaat. Best zelf lezen dus.)

Waarom niet eens extra aandacht besteden aan een verjaardagskaart of een briefje tout court?

Om de mensen die je nu niet in het echt kan zien en omhelzen een woordenknuffel te bezorgen.

Probeer het eens uit.

Het brengt rust en vrede en je maakt er jezelf en anderen blij mee.